Afbeelding

Historische Kring Wederden

Columns

Een monument van Nederlandschen Ingenieursarbeid’

De Twentekanalen 1930-1936

In de loop van de negentiende eeuw nam door de snel opkomende textiel- en metaalindustrie en de grote ontginningsprojecten in Twente de behoefte aan goede transportverbindingen sterk toe. De grootschalige kanalisatie van Overijssel in de tweede helft van de vorige eeuw droeg echter nauwelijks bij tot verbetering van de ontsluiting van Twente. Daarom begonnen Twentse fabrikanten en bestuurders in 1907 met een lobby voor een goede kanaalverbinding naar Twente.

Na jarenlang plannen maken, ging in 1930 eindelijk de eerste spade in de grond voor de aanleg van de Twentekanalen: een hoofdkanaal (circa vijftig kilometer) van de IJssel bij Zutphen via Eefde, Lochem, Goor, Delden en Hengelo naar Enschede met halverwege Goor en Delden een zijkanaal (circa zestien kilometer) naar Almelo. Bij de openstelling van het hoofdkanaal in 1936 werden de Twentekanalen geroemd als ‘een monument van Nederlandschen Ingenieursarbeid’. Met name de vormgeving van het kanaal en de verschillende kunstwerken alsmede de toepassing van moderne bouwmaterialen en technieken baarden in die tijd veel opzien.

De Overijsselse Kanalen

Tot de aanleg van de Overijsselse Kanalen, tussen 1851 en 1858, was Twente hoofdzakelijk aangewezen op moeizaam vervoer over slecht begaanbare wegen en nauwelijks bevaarbare riviertjes als Regge, Dinkel en Vecht. De verbinding met de rest van Overijssel en het westen van Nederland liet zeer te wensen over. Reden voor enkele Twentse fabrikanten om bij Gedeputeerde Staten van Overijssel met klem te pleiten voor betere transportverbindingen.

Een eerste stap in de goede richting was de aanleg van de Overijsselse Kanalen. Op initiatief van de Staten werd tussen 1851 en 1858 het kanaal van Zwolle naar Almelo aangelegd door de speciaal daartoe opgerichte Overijsselsche Kanalisatie Maatschappij. Het kanaal kreeg een zijtak in noordelijke richting, van Daarle tot aan de Vecht bij De Haandrik (1856) en een zijtak naar het zuiden, van Dalmsholte naar Deventer (1858). Het verder doortrekken van het kanaal naar Enschede zou vanwege de hoogteverschillen in het Twentse land een zeer kostbare aangelegenheid worden. Daarom vroeg de provincie de Twentse fabrikanten, die tenslotte het meeste baat zouden hebben bij verlenging van het kanaal, om een financiële bijdrage. De fabrikanten wilden echter geen geld in het kanalenplan steken, onder meer omdat zij veel verwachtten van de nieuwste vorm van transport, de trein.

De opening van de spoorlijn Almelo-Salzbergen in 1865 was inderdaad het startsein voor de aanleg van een spoorwegnet tussen verschillende Twentse plaatsen en Duitsland en leidde tot de bouw van nieuwe fabrieken in de nabijheid van het spoor. Mede omdat vervoer over water uiteindelijk toch goedkoper was dan per spoor bleef de behoefte aan goede vervoersmogelijkheden over water onverminderd bestaan. Met uitzondering van Almelo en omstreken waren de Overijsselse Kanalen voor de grote Twentse industriecentra als transportverbinding niet van belang.

Het kanaal Almelo-Nordhorn

Een tweede stap in de kanalisatie van Twente was de aanleg van het kanaal Almelo-Nordhorn. Op grond van een overeenkomst, gesloten in 1876 te Berlijn tussen de Pruisische en de Nederlandse regering, werd vanaf 1880 het kanaal Almelo-Nordhorn gegraven.

Daarmee werd de verbinding tussen het Overijssels Kanaal en Duitsland over Twents grondgebied gerealiseerd. Hoewel in 1889 het gedeelte tot aan de Duitse grens was voltooid, duurde het nog tot 1902 voordat de aansluiting op het Duitse waterwegennet een feit was. Het nieuwe kanaal zou voor de industrie echter nauwelijks van betekenis blijken omdat het

Bron: Caroline Smook ‘Een monument van Nederlandschen Ingenieursarbeid’