
De magie van het hoefijzer (en de hoefnagel als talisman)
ColumnsDe oorsprong en bijgeloof van het hoefijzer in de wetenschap dat zeker vele hectaren ook rond Wierden zijn omgeploegd met paarden en dat ook het paard in het straatbeeld tot ver in de jaren vijftig geen bijzonderheid was. Ook de geregelde gang naar de hoefsmid hoorde daar natuurlijk bij. Als eerste is via de moderne media natuurlijk op te zoeken wat de bijzondere “krachten” van een hoefijzer zouden kunnen zijn:
Hoefijzer: geluksbrenger en wendt onheil af, een verzamelbekken van magische krachten.
De Hoefnagel: met dit voorwerp worden de hoefijzers vastgezet. Ze zouden tevens ziektes tegengaan. Daarom werden vroeger in één van de balken van de veestal vier nagels geslagen (waarvan één nagel van de doodskist). Wie niet in de werking gelooft komt sowieso niet voor genezing of geluk in aanmerking; het gelukbrengende hoefijzer zoekt zelf iemand uit als het zijn magie wil verspreiden, dwingen laat het zich niet. Iedereen is de smid van zijn eigen geluk. We weten niet precies wanneer het hoefijzer is uitgevonden, maar daardoor kwam een oplossing voor alle vervoersproblemen van de mensheid een enorme stap dichterbij.
Hoefijzers met nagelgaten zijn omtrent de tiende eeuw na Christus pas in gebruik gekomen; daarvoor gebruikten de Kelten, maar ook de Romeinen, zware lompe hoefschoenen die met beugels en riemen aan de hoef werden vastgemaakt. Oorsprong van onheilafwender Een kort verhaal over de in 909 geboren aartsbisschop van Cantebury genaamd Dunstan. Hij groeide op bij de Ierse monniken en leerde er ook paarden beslaan. De duivel vroeg hem In Cognito te beslaan. Dunstan herkende de duivel, zette hem een tang op de neus en kneep net zolang door totdat de duivel beloofde iedereen te ontzien die een hoefijzer bezat. Waarschijnlijk komt hier de uitdrukking “bij de neus nemen” vandaan.
De vraag is dan hoe moet je het hoefijzer ophangen?
· Met de open kant naar boven want al het geluk kwam van boven.
· Alleen met de open kant naar beneden boven de voordeur, zodat iedereen overspoelt werd met het geluk dat in huis hing.
· Als de letter “C”, als symbool van Christus. Op dezelfde manier want het geluk kwam uit “de sikkel van de maan” stromen en kon zo al het kwade via zijn rondingen afleiden. Immers het toenemen van de maan betekende reeds in oude tijden groter worden in geluk.
· Met de open zijde naar buiten gekeerd, werd ’t op de drempel van de huisdeur gespijkerd, waarbij soms 3 nagels met 3 hamerslagen nodig waren. Zij sloten de heksen buiten, beschutten tegen bliksem en brand en trokken, als het huis een winkel was, en de kopers naar binnen. Het scheen dat alleen een roestig ijzeren hoefijzer, het liefst nog met wat oude nagels er aan, de Absolute Gelukzaligheid kon brengen. In de symboliek van het toedichten van magische krachten komen Romeinse, Keltische en Germaanse opvattingen samen. Het werd in het louterende vuur uit het ijzer vol toverkracht gesmeed en was afkomstig van het mythische paard.










