Een schets van De Schutterieje aan de Hexelseweg getekend door mevrouw Morsink Kiekenbelt.
Een schets van De Schutterieje aan de Hexelseweg getekend door mevrouw Morsink Kiekenbelt.

Historische Kring Wederden

Columns

De Schutterije Hexelseweg Wierden door Anneke Koers

Vader is in het jaar 1916 geboren in het dorp Wierden op de Hexelseweg in de Schutterièje. Het boerenhuis had zijn vader gehuurd van buurman Noltes. Schutterièje is het Twentse woord voor Schutterij. De Schutterièje waar vader het licht zag, was een boerenhuis gelegen aan de weg van Wierden naar het esdorp Hoge Hexel. Vroeger woonden er de schutters of schuttens die ook wel gesworenen werden genoemd. Zij namen het loslopende vee dat over de markegrens was gegaan in beslag en hielden het vee in bewaring tot de boete was betaald door de eigenaar. Vader was de oudste van zes kinderen uit het gezin van Arend Jan Koers. Mijn opa was de zoon van een cater, Jan Hendrik Koers en zijn vrouw Gerritdina van de Riet uit de Huurne. Opa werkte onder meer in de vleesfabriek, als stratenmaker en in de melkfabriek in Wierden.

Tijdens werk aan een straat in Denekamp leerde Arend Jan een meisje kennen: Anne (Johanna Hermina) Wassink, dochter van Fenna Wassink. Er ontstond een liefde die werd bezegeld met een huwelijk, zes kinderen en die duurde tot de dood hen scheidde. Anne werd de oma naar wie ik genoemd ben. Vader kende de mentaliteit van de boeren op de markengronden en de dorpsmensen, hij was er immers zelf één. Hij hield zich strikt aan de oude regels zoals hij ze geleerd had: wonen de keuken, degelijke huwelijken, hard werken en geen tijd voor zichzelf, oudere mensen niet tegenspreken, zondags twee keer naar de kerk, bidden voor het eten en na het Bijbellezen het dankgebed, geen seks voor het huwelijk en alle verdiende loon inleveren.

De wereld van voor de Tweede Wereldoorlog en ook nog een periode erna kende werkelijk armoede. Speelgoed werd allen met verjaardagen en Sinterklaas gekocht, geld uitgeven was een serieuze zaak. Het was zaak de kinderen zo op te voeden dat ze niet alles kregen wat ze wilden. Eten wat de pot schaft en mooi niet dat de ouders zeiden, ‘sla vandaag de warme maaltijd over en eet maar brood.’ Mijn moeder kwam uit de stad (Almelo) en heeft nooit kunnen wennen aan de dorpse mentaliteit. Ik mocht dan thuis ook niet de Enterse streektaal spreken omdat mijn moeder ‘het Enters’ platvloers vond. Ik kwam niet verder dan de woorden driet’n, plette, daale pleer’n, gevret, gestrit en zo nog een paar, die ik thuis absoluut niet mocht zeggen. Het zijn ongetwijfeld die woorden die kinderen op de straat leren. Driet’n werd grote bah, vaa werd pappie, moo werd mammie en vrouw Scholten werd juffrouw Scholten en Antje van de Graaf werd juffrouw de Graaf.

Het lied ‘Antoon met den bok’ was uit den boze omdat de moeder van Antoon hem een pispot op de kop zette. Het woord pispot was een steen des aanstoots voor mijn moeder. Jammer, want de Enterse taal roept bij mij oergevoelens op en wat is er nou mis met het woord pis? Je hoort op de wc de letterlijke betekenis. Nu moet ik het doen met de verhalen en gedichten in de Nedersaksische streektalen. En daarvoor dien ik óók te weten wat gengel’n, betuun, schoefdale of teumig is. Nöal’n heb ik er altijd in gehouden. Ook mijn kinderen, die geen woord van de Enterse taal kennen gebruiken dat woord, het bekt wel lekker. Van vader kende ik het verhaaltje van de Sik oet Enter. Hij vertelde over de boerderijen en de bewoners in de marke. Ik vond het prachtig om oer de oude streektaal te lezen, al was het niet de Enterse.

Bron: Anneke Koers